Marie kamphuis stichting

Tekstgrootte

Uitgelicht

door Liesbeth Simpelaar

Serie Verleden in Beeld, met speciale aandacht voor de vrouwen in de geschiedenis

Daarbij geleid door de definitie van sociaal werk op https://www.movisie. nl/ artikel/ internationale- wereld-social-work: ‘Social work is a practice-based profession and an academic discipline that promotes social change and development, social cohesion, and the empowerment and liberation of people. Principles of social justice, human rights, collective responsibility and respect for diversities are central to social work. Underpinned by theories of social work, social sciences, humanities and indigenous knowledge, social work engages people and structures to address life challenges and enhance wellbeing.’


2 juli 2018

De paarse krokodil

De twintigste eeuw



















In de twintigste eeuw werd de samenleving gebureaucratiseerd. De overheid nam, met als doel burgers gelijk te behandelen, steeds meer verantwoordelijkheid op zich ten aanzien van gezondheidszorg, armenzorg, huisvesting en onderwijs. Wetten, regels en procedures werden ingevoerd. Om zo efficiënt mogelijk te werken kwam er een sterke hiërarchie en een stricte verdeling van taken. Contacten tussen burgers en het overheids- en ambtenarenapparaat werden onpersoonlijk.
Aan het eind van de eeuw stootte de centrale overheid veel taken af naar lokale overheden en bedrijven, maar de bureaucratie werd er niet minder om, mede dankzij marktwerking en digitalisering.  

De bureaucratie ontaardde in formalisme, een overvloed aan regels, paperasserie en een bijna dwangmatig gelijke behandeling van ongelijke gevallen. In 2004 werd de paarse krokodil uit een reclamefilmpje daar symbool van. In dat filmpje moest een moeder eerst een formulier  invullen en de volgende dag terugkomen om de vergeten opblaasbare krokodil van haar dochter op te kunnen halen, terwijl die krokodil daar in het kantoortje stond. Hier is het filmpje te zien.

De bureaucratisering had ook gevolgen voor maatschappelijk werkers, zoals blijkt uit een aantal interviews uit 1999, afgenomen voor het Marie Kamphuis Archief (1). Ze moesten productgerichter werken en kregen meer rapportageverplichtingen. Een maatschappelijk werkster die vanaf ongeveer 1967 bij Pro Juventute werkte zei: 'Je bent een derde van je tijd met mensen bezig en twee derde breng je achter je computer door.'

Een andere maatschappelijk werkster constateerde dat burgers door de bureaucratisering in de problemen komen: ‘Ik denk dat maatschappelijk werk in de toekomst alleen nog maar meer nodig wordt. Omdat de maatschappij steeds ingewikkelder in elkaar gaat zitten. Denk alleen al aan alle papieren die mensen moeten invullen als ze bijvoorbeeld werkloos worden. Dat is voor veel mensen haast niet te doen.’

Daarnaast werd het ingewikkelder om mensen door te verwijzen, ‘dingen voor elkaar te krijgen’ en er ontstonden lange wachttijden. Een schoolmaatschappelijk werkster die vanaf 1974 bij Bureau Jeugdzorg werkte vertelde:

'Productgerichter moet je ook zien als bezuinigen aan de ene kant, en aan de andere kant in cijfers verantwoording af moeten leggen over wat je doet. Terwijl wat je doet daar bijna niet in te pakken is. Je kunt wel pakken: ik heb een groep, je komt zoveel keer bij elkaar en dat zijn de onderwerpen. En dat moet je ook wel doen, maar de overheid gaat ons afrekenen op face-to-face-contacten denk ik. Je moet veel verantwoording afleggen via bazen aan de overheid. Daar vind ik ook wel goede kanten aan zitten.
Wat ik lastig vind is dat wanneer je iets voor elkaar wilt krijgen je heel veel schijven moet passeren om iets voor elkaar te krijgen. Vroeger kon je nog wel eens een jongere even ergens plaatsen, maar als je kijkt hoeveel schijven dat nu moet passeren, dat zijn er heel veel. De wachttijden zijn erg lang. (…) Ik vind de huidige verhoudingen tussen papier en mensen ongezond. Als het erop aan komt, blijf ik kiezen voor cliënten in plaats van voor dossiers.’

Er zitten goede kanten aan verantwoording afleggen, zoals deze maatschappelijk werkster al zei. Lies Schilder schrijft (2) dat iedere werker terecht te maken heeft met rationeel-bureaucratische waarden; het is legitiem dat een subsidiërende overheid efficiënt en effectief werk eist. Die eis heeft, constateert Schilder, wel een dilemma tot gevolg, want de werker heeft ook te maken met morele waarden als persoonlijke nabijheid, zorg en verantwoordelijkheid. Uitweg uit dat dilemma biedt volgens Schilder o.a. het social casework, want dat stelt dat cliënten recht hebben op zakelijke, professionele hulp en hanteert daarbij beroepsethische principes en humane methodieken, bijvoorbeeld wat we nu dialogisch diagnosticeren noemen.

Maar behalve de eisen van rapportage en effectiviteit noemden de maatschappelijk werksters nog een aantal andere kanten van de paarse krokodil: het ingewikkelde en moeizame verwijzen, de anonimiteit van instanties (‘schijven passeren’) en lange wachttijden.
Hoe het ‘vroeger’ was vertelde een maatschappelijk werkster die vanaf 1960 in een Noord-Hollands dorpje had gewerkt. De eerste drie maanden van haar werk zorgde ze dat de mensen haar kenden en wisten waarvoor ze bij haar terecht konden: ze ging bij instanties langs als de politie en de gemeente, schreef artikeltjes in de krant en gaf voorlichting op verenigingsbijeenkomsten. ‘In die tijd waren de lijnen bijzonder kort’, ze ze, ‘je kon zo bij de burgemeester binnenlopen, of weet ik waar, als je wat nodig had.’ Ze gaf een mooi voorbeeld van de manier waarop ze kon werken:  
 
‘Ik heb bijvoorbeeld weleens meegemaakt dat iemand in de gevangenis zat, die ook een stuk land had hier. Ik werd benaderd door de boer, met het probleem dat het land nu niet bewerkt werd en hij vroeg of ik wat kon doen. Ik ben naar de voorzitter (van het bestuur, L.S.) gegaan en heb hem de situatie geschetst. Die heeft toen voor mensen gezorgd die dat stuk land konden bewerken.
Vervolgens ging ik naar de gevangenis om dit te bespreken met de betrokkene. Daar werd ik ontvangen door de directeur persoonlijk, die ook vroeg of ik een bewaker mee wilde. Dat maakte mij overigens niet uit, maar zoiets is tegenwoordig toch ondenkbaar? Die positie had ik, maar ik weet niet of en wat voor invloed ik precies heb gehad. Ik kon heel makkelijk mensen benaderen en daarmee dingen regelen.’

In zo’n dorpje begin jaren ’60 waren de sociale omstandigheden natuurlijk heel anders dan nu. Gelukkig wint het besef steeds meer veld dat het fijner en makkelijker werkt als instanties een persoonlijk, benaderbaar gezicht hebben. Maar het blijft moeizaam, en ik vraag me af of die kant van de paarse krokodil ook een belemmering zal zijn bij het ondernemen van een nieuwe vorm van sociale actie en het opkomen voor mensenrechten, zoals Margot Scholte bepleit in haar MKS-lezing van mei 2018.

Om de moed erin te houden een illustratie van sociale actie nu. De sociaal geëngageerde kunstenaar Banksy maakt graffiti waarin hij misstanden aan de kaak stelt. Zijn werk wordt tentoongesteld in musea en is goud waard, maar wordt soms overgeschilderd omdat graffiti volgens beleidsmakers de openbare ruimte bederft.
Op deze muurschildering knipt een rat (voor Banksy het symbool van rebelse graffiti) de ketting van de steiger door waarop een schilder diezelfde rat aan het overschilderen is. Dat kan natuurlijk niet, en als je goed kijkt zie je dat ook de schilder en de steiger onderdeel zijn van de schildering. Daarmee laat Banksy zien dat het mogelijk is om telkens weer een verhaal over het verhaal van machthebbers heen te schrijven. Want een ander verhaal en een andere werkelijkheid is gewenst; mensen willen meer menselijkheid.
























Afbeeldingen

- Fred Zelders (2013): Een paarse krokodil. Foto vrij van auteursrechten, mits vermeld met: By Fred Zelders from NL (Krokodil. #vscocam #tinyshutter #lenswipe #iphone5) [CC BY 2.0 (https://creativecommons.org/licenses/by/2.0)], via Wikimedia Commons: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Paarse_krokodil.jpg
- Marcus Gossler (2005): Kaartenbak in de universiteitsbibliotheek van Graz. Foto vrij van auteursrechten: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Schlagwortkatalog.jpg
- Banksy (ongeveer 2008?): Gnark gnark gnark! Foto vrij van auteursrechten, mits vermeld met: By Ludovic Bertron from New York City, Usa (Gnark gnark gnark!) [CC BY 2.0 (https://creativecommons.org/licenses/by/2.0)], via Wikimedia Commons:
https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Gnark_gnark_gnark!_(2984587537).jpg?uselang=nl

Noten

(1) Boet, Anoushka (1999) voerde een interviewproject uit voor de Hall of Fame. Marie Kamphuis Archief, inventarisnummer 1.6.1
(2) Schilder, Lies (2003), ‘Presentie in het maatschappelijk werk: wenkend perspectief of terug naar af?’ In: Sociale Interventie 2003 -2www.presentie.nl/informatie/publicaties/item/download/251
(3) Scholte, Margot (2018), Op de barricaden?! Over sociaal werk, probleemfiguraties en de aanpak van structurele problemen in het sociaal domein, MKS-lezing 2018

6 juni 2018

De hongertafel

De negentiende eeuw

















‘Hongertafel’, staat op het grote kaartje in het midden. Het is de tafel van de afdeling maatschappelijk werk op de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in 1898, waarop te zien was voor welke schamele lonen arbeidsters werkten. Op de tafel, die ook ‘gruweltafel’ werd genoemd, stonden naaiproducten, o.a. een jurk, genaaid voor 5 cent en een gevoerde jas voor 85 cent. Daarachter een model van een plaggenhut.

Het was ronduit een aanklacht. Maar heel beschaafd, vergeleken met de emotionele leuzen en spandoeken van opstandige socialisten in die tijd. De organisatrices van de Tentoonstelling kwamen uit de gegoede burgerij en keken wel uit om weerstand op te wekken, nu vrouwen eens een keer in de openbaarheid traden. (1)

Vrouwen in de filantropie

Dat er dringend iets aan de ‘sociale kwestie’ gedaan moest worden, drong eind van de eeuw, misschien mede door de tentoonstelling, ook tot beleidsmakers door, maar de bekommernis met de slachtoffers van de industrialisatie was er al veel langer. In de negentiende eeuw werden vele liefdadigheidsverenigingen opgericht, en lezeressen van vrouwentijdschriften werden aangespoord om zich bij zo’n vereniging aan te sluiten en te voldoen aan hun christelijke plicht tot naastenliefde, zorgzaamheid en dienstbaarheid (2). Deze nette, fatsoenlijke vrouwen begaven zich in een wereld waar ze schokkende dingen aantroffen: donkere krotten vol ongedierte, tien huishoudens in één huis, gebrek aan voedsel en verwarming en kinderen die alleen waren omdat beide ouders werkten.  
 
Met de poging iets aan die wereld te verbeteren gaven deze vrouwen betekenis aan hun leven, veroordeeld als ze anders waren tot een werkloos leven binnenshuis. Zo schreef Héléne Mercier in 1883: ‘De vrouw uit de hoogere standen (…) heeft tot dusver veelal van de philantropie den eenigen schakel gemaakt, waarmede zij haar huiselijk leven aan het openbare verbindt’ (3).

Hoe zag de ‘hongertafel’ van arbeidersvrouwen er in werkelijkheid uit? Hieronder een beschrijving van hun overlevingsmogelijkheden.

Getrouwde arbeidersvrouwen

Voor vrouwen uit de hogere klasse was werken een schande, maar voor vrouwen uit de lagere klassen was het vanzelfsprekend. Een arbeider verdiende vaak niet genoeg voor een heel gezin en vrouwen en kinderen moesten hun bijdrage leveren.  
 


















De vrouwen probeerden dat op allerlei manieren: door thuis of in werkplaatsen groente schoon te maken voor conservenfabrieken, door op flexibele tijden te werken als schoonmaakster, of, als ze goed kleren konden naaien, door thuisnaaister te worden voor particulieren of voor confectiemagazijnen. Anderen werkten als fabrieksarbeidster, maar voor getrouwde vrouwen met kinderen had dat als nadeel dat ze lange dagen van huis waren; werkdagen van twaalf uur waren geen uitzondering. En fabrieken namen niet altijd getrouwde vrouwen aan, uit principe.

Fabrieksarbeidsters

De handigheid, geduld en netheid van vrouwen waren een pré bij de ongeschoolde fabrieksarbeid. Maar ze verdienden aanzienlijk lagere lonen dan mannen in een gelijke functie en werden door fabrieken alleen in tijden dat ze nodig waren ingezet. (4)  
Vrouwen werkten in (o.a) wasserijen, binderijen, drukkerijen, sigarenfabrieken, leerfabrieken, in de papierindustrie en ook in de diamantindustrie: niet als slijpster maar als molendraaister, wat zwaar werk was. Toen rond 1870 speciaal voor vrouwen een opleiding startte in het snijden van roosjes in diamanten, namen ze daar enthousiast aan deel. Maar doordat ze lagere lonen kregen vormden vrouwen al gauw een bedreiging voor mannen, en de opinie dat vrouwen niet geschikt waren voor dat werk won weer aan kracht. (5)

Dienstbodes

Een andere mogelijkheid om geld te verdienen was dienstbode. Maar dat was alleen geschikt voor jonge meisjes en ongetrouwde vrouwen, want zo´n betrekking was inclusief kost en inwoning, ze moesten altijd beschikbaar zijn. Dienstbodes werden veracht door fabrieksarbeidsters; die waren trots op hun vrijheid na werktijd en verdienden meer loon. Het verschil tussen fabrieksarbeidsters en dienstbodes werd ook door de middenklasse opgemerkt, maar dan vanuit een heel ander perspectief. Emilie Knappert schreef: ‘De dienstmeisjes zijn in de regel beschaafder, omdat ze in onze huizen verkeren. Wij zijn voor hen gewone menschen. De fabrieksmeisjes daarentegen zijn ruw en terstond aan hun kleding te herkennen.’ (6)

















Overlevingsstrategieën

Bejaarden die arm waren en afhankelijk van verzorging konden als ze geluk hadden opgenomen worden in een oudeliedengesticht of armenhuis. Voor het katholieke deel van de bevolking waren er begin negentiende eeuw in Amsterdam echter maar twee gestichten. In 1832 werd een derde opgericht, waar leden van de Zusters van de Liefde, daarvoor overkomend uit Tilburg, gingen werken. Meteen meldden een stroom bejaarden zich aan, maar velen moesten worden teleurgesteld. Een tijdgenoot beschreef de situatie: 'Eén vrouw liet het niet bij woorden alleen, zij posteerde zich op de stoep en verklaarde daar tot haar dood te zullen blijven zitten, tenzij ze haar laatste dagen in het gesticht zou mogen blijven. Toen de negentig jaar oude vrouw 's avonds nog op de stoep zat, werd er een bed voor haar opgemaakt.' (7)





















Voor ‘thuiszittende armen’ was er de armenzorg, maar die was niet genoeg om van te leven en paste strakke regels en strenge controle toe. Vanaf eind achttiende eeuw, toen grote groepen mensen niet meer genoeg verdienden met hun werk en afhankelijk werden van bedeling, had de overtuiging postgevat dat armen te lui waren om te werken, zedeloos waren en niet met geld konden omgaan. Bedeelden moesten zich onderwerpen aan een régime dat bepaald werd door regenten, de gezeten burgerij en diakonieën, en altijd dankbaarheid tonen. (8) De kerken werden eerstverantwoordelijk voor armenzorg en stelden die soms afhankelijk van een aantal jaren kerkelijk lidmaatschap. Door drankgebruik, onzedelijk gedrag of onregelmatige kerkgang kon de bedeling worden stopgezet (9).

Eind negentiende eeuw gebeurde het steeds vaker dat kerken zo laag bedeelden dat burgerlijke armbesturen bijsprongen. Maar die waren ook bepaald niet gul, en mensen klopten bij gegoede burgers aan die bekend stonden om hun liefdadigheid of bij particuliere liefdadigheidsinstellingen.
Die liefdadigheidsinstellingen gaven de voorkeur aan vrouwen die een juiste mix van echte behoeftigheid en onderdanigheid toonden; getrouwde vrouwen die leden onder de honger maar dat deden met een aura van bescheidenheid en spijt (10). Vrouwen moesten dus goed op hun gedrag letten om iets toegeschoven te krijgen.

De manier waarop de armenzorg functioneerde trof met name ongehuwde moeders. Zo weigerde de Gereformeerde diaconie in Haarlem de bedeling aan ongehuwde moeders (11) en ook het stadsbestuur in Utrecht besloot begin 19de eeuw alleen onder extreme omstandigheden hulp te verlenen aan deze ontaarde, zedeloze vrouwen (12). Wat hen overbleef, was een pasgeboren kind te vondeling leggen of besluiten om het kind om te brengen. Anders kwamen ze in de gevangenis of het spinhuis terecht (13). Als ze de mogelijkheid hadden, besteedden ze de kinderen uit zodat ze bijvoorbeeld een betrekking als dienstbode konden aangaan

Ongetrouwd blijven was voor vrouwen soms ook een strategie, al konden ze op hun eentje vaak moeilijk rondkomen. Het kon uit financiële overwegingen zijn, als ze bijvoorbeeld zelf een betrekking als dienstbode hadden en de man zo weinig verdiende dat ze, eenmaal getrouwd, naar de armenkas zou moeten. Anderen hadden het vooruitzicht op het erven van een winkeltje. Weer anderen trouwden niet omdat ze voor hun ouders of andere gebrekkige familieleden zorgden.

Alles wat mensen bij elkaar konden sprokkelen, was meegenomen, maar vaak niet voldoende, geruige hun vele andere overlevingsstrategieën: ze bespaarden op voedsel en kleding, leefden een tijdje op de pof bij winkeliers, zochten hulp bij familie of buren, beleenden of verkochten bezit, verhuisden naar een goedkoper huis, gingen bij familie inwonen of samenwonen met andere huishoudens, gingen gokken, stelen, smokkelen of de prostitutie in. (14) Wat dan weer het beeld van onzedelijkheid en losbandigheid bevestigde dat de gegoede burgerij al van de lagere klasse had.

Afbeeldingen

- De afdeling maatschappelijk werk op de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid 1898. Collectie Atria, kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis, Amsterdam. Vrij van auteursrechten: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:0084-Maatschappelijk_werk-Nationale_Tentoonstelling_van_Vrouwenarbeid_1898.tif
- Liebermann, Max (1847-1935): De groente- inmaaksters. Vrij van auteursrechten:  https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Max_Liebermann_Canning_factory.jpg
- Groepsportret van meisjes in een weverij op de afdeling industrie, Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid 1898. Collectie Atria, kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis, Amsterdam. Vrij van auteursrechten: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:0079-Meisjes_weverij_afdeling_industrie_Nationale_Tentoonstelling_van_Vrouwenarbeid_1898.tif
- Israels, Jozef (1824-1911): Grootmoeder en kleindochter. Vrij van auteursrechten:
https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Jozef_Isra%C3%ABls_-_Gro%C3%9Fmutter_und_Enkelin_-_7998_-_Bavarian_State_Painting_Collections.jpg
 
Noten

(1) Ribberink, Anneke (2000), Feminisme revisited, recensieartikel over: Grever, Maria en Waaldijk, Berteke (1998), ‘Feministische openbaarheid. De Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in 1898’ (Amsterdam: Stichting beheer IISG/IIAV). In: BMGN, 115 (2000) afl. 1, p. 60-74: http://docplayer.nl/15554845-Feminisme-revisited-1.html
 (2) Jensen, Lotte (2004), ‘Vrouwentijdschriften in de negentiende eeuw’. In: Spiegel Historiael, 2004, nr. 9
https://isgeschiedenis.nl/longreads/vrouwentijdschriften-in-de-19de-eeuw
(3) Waaldijk, Berteke (1996), Het Amerika der vrouw. Sekse en geschiedenis van maatschappelijk werk in Nederland en de Verenigde Staten, WoltersgroepGroningen, p. 13
(4) Smit, Cor (2004), ‘Arbeidersvrouwen tussen fabriek en huisgezien, deel 1. Arbeid van Leidse vrouwen in fabrieken en werkplaatsen, 1800-1910’. In: Jaarboek Dirk van Eck 2004, p. 113-118: www.oudleiden.nl/pdf2/jaarboek2004_05.pdf
(5) Everard, Myriam (2005), ‘Verandering en continuïteit in de arbeid van vrouwen. Keetvrouwen en molendraaisters en het huiselijkheidsideaal, 1750-1900’, in: Tijdschrift voor sociale en economische geschiedenis 2 (2005), nr. 3, p. 81-102: https://www.tseg.nl/articles/10.18352/tseg.763/galley/763/download/
(6) Smit, Cor (2004), ‘Arbeidersvrouwen tussen fabriek en huisgezien, deel 1. Arbeid van Leidse vrouwen in fabrieken en werkplaatsen, 1800-1910’. In: Jaarboek Dirk van Eck 2004, p. 126: www.oudleiden.nl/pdf2/jaarboek2004_05.pdf  
Het citaat van Knappert komt volgens noot 77 uit ‘Enquête Arbeidstoestanden’, 27.
(7) Bakker, Catharina (2004), ‘Zusters van de Liefde voor de verzorging. Hoe de heilige regel van de congregatie van Zusters van Liefde Moeder van Barmhartigheid uit Tilburg een stempel drukte op de zorgpraktijk in drie Rooms-katholieke gestichten’. In: Gevv’ina 27 (2004) p. 66-76:
https://dspace.library.uu.nl/bitstream/handle/1874/251599/760-3129-1-PB.pdf?...2
(8) - Smit, Cor (2004), ‘Arbeidersvrouwen tussen fabriek en huisgezien, deel 1. Arbeid van Leidse vrouwen in fabrieken en werkplaatsen, 1800-1910’. In: Jaarboek Dirk van Eck 2004, p. 123: www.oudleiden.nl/pdf2/jaarboek2004_05.pdf
- Spaans, Joke (1992), Het economische belang van de bedeling. Recensie van: Leeuwen, Marco van, ‘Bijstand in Amsterdam 1800-1850. Armenzorg als beheersing en overlevingsstrategie’: https://www.nrc.nl/nieuws/1992/09/12/het-economische-belang-van-de-bedeling-7155872-a378833
(9) Dorsman, J. en Stavenuiter, M. (1993), Nooit gehuwd, maar niet alleen. Vrijgezelle vrouwen uit de arbeidende klasse in de tweede helft van de negentiende eeuw. Amsterdamse historische reeks, Grote Serie XV; Hilversum, uitg. Verloren, p. 60: https://books.google.nl/books?hl=nl&lr=&id=XiTfQaPzpL4C&oi=fnd&pg=PA7&dq=armoede+negentiende+eeuw&ots=f-aCG2TDQk&sig=zTfpTL3l9Er63Ikbe_MESvnuCP4#v=onepage&q=armoede%20negentiende%20eeuw&f=false
(10) Gouda, Frances (1995), Poverty and Political Culture. The retoric of Social Welfare in the Netherlands and France, 1815-1854, Amsterdam University Press, p. 86
(11) Dorsman, J. en Stavenuiter, M. (1993), Nooit gehuwd, maar niet alleen. Vrijgezelle vrouwen uit de arbeidende klasse in de tweede helft van de negentiende eeuw. Amsterdamse historische reeks, Grote Serie XV; Hilversum, uitg. Verloren, p. 60 (zie noot 9)
(12, 13) Gouda, Frances (1995), Poverty and Political Culture. The retoric of Social Welfare in the Netherlands and France, 1815-1854, Amsterdam University Press, p. 66
(14) Dorsman, J. en Stavenuiter, M. (1993), Nooit gehuwd, maar niet alleen. Vrijgezelle vrouwen uit de arbeidende klasse in de tweede helft van de negentiende eeuw. Amsterdamse historische reeks, Grote Serie XV; Hilversum, uitg. Verloren, p. 61,62 (zie noot 9)


7 mei 2018

De Verlichting in de Republiek

De achttiende eeuw


Vrouwe Justitia triomfeert over de ongerechtigheid, de op de grond liggende man. Zijn corrupt verkregen geld rolt over de grond, zijn valse masker is afgevallen. Een engeltje heeft een stuk papier of een zakje vast waar iets roods uitkomt op zijn borst, het is onduidelijk wat het is (het bloed van Christus?). Rechts staan, vol ontzag, een weduwe met kinderen, de engelen boven hen vieren een feestje en bekronen Justitia. Ze heeft een blinddoek voor, want ze spreekt recht zonder aanziens des persoons, alleen afgaand op feiten en daden, en met haar weegschaal weegt ze de bewijzen en getuigenissen af.

De natuur als moreel richtsnoer

De engelen op dit zeventiende eeuwse schilderij geven aan dat gerechtigheid door God gegeven wordt; door Hem kun je rechtvaardig spreken en handelen en recht doen aan wezen en weduwen.
In de eeuw van de Verlichting veranderde deze kijk op het recht. Door de toenemende alfabetisering en door de ontdekkingsreizen nam de kennis van de wereld toe, en de ontwikkeling van de wetenschappen en de filosofie van Descartes, Spinoza, Locke en Rousseau maakten dat mensen losser kwamen te staan van godsdienstige dogma’s. Er was groot verschil van mening over hoe religie en wetenschap met elkaar te rijmen waren, maar het besef groeide dat niet alleen de bijbel, maar ook de natuur ons de bedoeling van God openbaarde. Alles in de natuur had zijn plaats en bestemming. De menselijke rede kon die grote ordening doorgronden, en kennis van de natuurlijke aanleg van mensen gaf inzicht in hun bestemming, in wat hen werkelijk recht zou doen. Ieder mens was van nature (aangeboren en onvervreemdbaar) gelijk en vrij, dus moest iedereen dezelfde grondrechten worden toegekend.
Deze ideeën over natuurrechten resulteerden aan het eind van de eeuw, in 1795, in de Verklaring van de Rechten van de Mens en van de Burger.

Daarin stond een hele reeks rechten, zoals het algemeen kiesrecht, het recht om in gevangenschap niet strenger te worden behandeld dan noodzakelijk, het recht op eigendom, op godsdienstuitoefening, op controle van bestuurders en op hoe belastingen werden besteed. Burgers hadden vrije meningsuiting en mochten hun ideeën in druk laten verschijnen, ze hadden het recht om zich tegen onderdrukking te verdedigen en konden zelfs de staatsvorm veranderen.

Helaas had de Verklaring niet veel gevolgen. Begin negentiende eeuw werd een deel van deze rechten weer ingetrokken, en pas in 1948 zou Nederland zich weer, samen met andere landen, bezinnnen op een soortgelijke verklaring, die van de Rechten van de Mens.

Vrouwen

De rechten in de Verklaring waren, net als die in de Franse Déclaration des Droits de l’Homme et du Citoyen van 1789, alleen voor mannen bedoeld, vrouwen waren geen leden van de maatschappij.
Wel was de vrouwenstrijd in Frankrijk radicaler, politieker gericht dan in de Republiek. Daar waren er in welgestelde kringen vrouwen die voor hun recht op onderwijs en persoonlijke ontwikkeling opkwamen, maar zij overtraden daarmee slechts gedeeltelijk het toen geldende ideaalbeeld van de vrouw als behorend tot het privé-domein.

Voorbeelden zijn Betje Wolff, die ervoor pleitte dat vrouwen hun verstand zouden mogen gebruiken inplaats van in ledigheid hun dagen door te brengen, en de rebelse schrijfster Belle van Zuylen, die zich verdiepte in wiskunde en liever briljant was dan fatsoenlijk. En naast hen waren er vele andere actieve vrouwen, ze namen deel aan salons en literaire genootschappen, schreven gedichten en romans, componeerden muziek en schilderden. Er waren zelfs geleerde vrouwen.

In Frankrijk ging de strijd niet alleen over persoonlijke ontwikkeling. Daarvan getuigt een toespraak bij een Parijse bijeenkomst in 1790 van de Groningse Etta Palm-Aelders die naar Parijs was verhuisd: ‘Mijne Heeren, (…) De rechtvaardigheid moet de eerste deugd zijn der vrije menschen en de rechtvaardigheid vraagt dat de wetten gemeen zijn aan alle wezens als de lucht en de zon; en toch zijn overal de wetten gunstig voor de mannen ten koste der vrouwen, omdat overal de macht in uwe handen is. (…) Dat onze heilige revolutie een tweede revolutie bewerke in onze zeden…, dat de burgerkronen op onze hoofden die ellendige pompons mogen vervangen, die symbolen der lichtzinnigheid en schandelijke teekenen onzer slavernij!’ (1).

Wel was de positie van vrouwen in de Republiek, vergeleken bij andere West-Europese landen, tamelijk gunstig. Doordat veel mannen op zeevaart waren of daarvan niet terugkwamen, en doordat er door het vrouwenoverschot veel alleenstaande vrouwen waren, moesten vrouwen vaak zelfstandig zien rond te komen. Ze namen deel aan het maatschappelijke leven, werkten als naaister, bleekster, vroedvrouw, dienstmeid, kamenier, minnemoeder, er waren gildezusters (leden van het gilde) zoals brouwsters, tapsters en marktkramers, en het kwam voor dat weduwen of dochters het bedrijf van de man voortzetten. (2)

Ondanks die wat ruimere armslag is het opmerkelijk dat het in de 17de en 18de eeuw niet ongebruikelijk was dat vrouwen zich voordeden als man, in de negentiende eeuw kwam dat niet meer voor. Vrouwen vermomden zich en werkten in de zeevaart of als soldaat, ze trouwden zelfs vrouwen. Het waren jonge vrouwen uit de lagere klassen, losgescheurd van hun wortels door de dood van beide ouders, door conflicten of door migratie. Velen waren niet in Nederland geboren en de meesten waren alleenstaand en eenzaam. Door te boek gestelde terechtstellingen weten we hun motieven: ze wilden uit de armoede ontsnappen, voor hun echtgenoot vluchten of voor het vaderland vechten. Waarschijnlijk speelde seksuele geaardheid ook een rol (3).

Vluchtelingen en migranten

Tijdens de Gouden Eeuw, die ongeveer tot 1750 duurde, vluchtten veel mensen uit religieuze, politieke en economische redenen naar de Republiek, want daar was welvaart en meer godsdienstvrijheid dan in andere landen. En ze waren hier hard nodig, want ze dichtten het ‘Indische lek’, de bevolkingskrimp. Er waren tijden dat maar eenderde van de zeelieden en soldaten terugkwam, ze overleden op zee, in oorlogen of aan tropische ziekten.

Maar toen aan het eind van de eeuw de economische groei stagneerde werden vluchtelingen en migranten ongewenste concurrenten op de arbeidsmarkt en sloten steden hun poorten voor nieuwkomers: ze voerden het systeem van borgbrieven in (een bewijs dat de stad van herkomst verantwoordelijk was als onderstand nodig was). Steden stuurden werkloze armen naar elkaar door, en het gevolg was dat veel mensen al bedelend, radeloos op zoek naar werk, rondtrokken, ‘landlopers’ werden.

Amsterdam was de enige stad die niet meedeed met de borgbrieven. Vreemdelingen bleven er welkom, want die hadden goede diensten bewezen tijdens de Engelse oorlogen. En op de schepen van de VOC waren nog steeds allerlei mensen nodig: boekhouders, klerken, werkbazen en gespecialiseerde arbeiders. Voor hun vrouwen en kinderen was er de liefdadigheid, de armenkas die op orde bleef door rente op vergaard kapitaal en de liefdadige cultuur. De grote aanslag op de armenkas werd ondervangen door beperkingen aan de bedeling, door middel van controle door buurtmeesters en een zomerstop.
Zo nam Amsterdam veel van de rondtrekkende armen op, het had een ware ventielfunctie binnen de Republiek. Het kwam door Amsterdam en de VOC dat het systeem van armenzorg aan het eind van de eeuw niet instortte (4).

De armen

Door de borgbrieven werd de zoektocht naar inkomsten niet makkelijk gemaakt, en die werd nog moeilijker door het verbod op ambulante beroepen. Het gewest Utrecht verbood herhaaldelijk niet alleen het bedelen, maar ook het uitoefenen van een ambulante nering of ambacht door mensen die niet binnen het gewest woonden. In een uitgebracht plakkaat van 1763 werden de verboden beroepen opgesomd: ‘marskramers, liedverkopers, ketelboeters, swavelstokverkopers, kuipers, schoenlappers, stoelenmatters, schoorsteenvegers, quackzalvers, deken- en rattenkruit, messen- en scheerenslijpers, speelmannen, goochelaars, omloopers met kijkkasten ende diergelijke’.

Redenen hiervoor waren dat het stadsbestuur rust en orde (lees: hun gezag) wilden bewaren, want er werden schotschriften verkocht en opruiende liederen gezongen, plus het feit dat de gildes geen concurrentie wilden. Uiteraard werd het verbod regelmatig overtreden. (5)

Maar ook de stadsbewoners werden soms van hot naar her gestuurd. Om in aanmerking te komen voor de stedelijke armenzorg moesten mensen niet alleen een minimum aantal jaren in een stad hebben gewoond, maar ook geen kerklid zijn; kerken moesten hun eigen arme kerkleden verzorgen. Maar de kerkelijke armenkas, de diaconie, bestond uit de contributies van kerkleden, en alleen de gereformeerde kerk ontving subsidie van het stadsbestuur. Het gevolg was dat kerken hun diaconie bij voorkeur voor armen reserveerden die meelevend, van onbesproken levenswandel en soms ook ingeboren waren; als dat niet het geval was, beschouwden ze mensen als stadsarme en stuurden ze door naar de burgerlijke armvoogdij, waarna die ze soms weer terugstuurde naar het kerkbestuur.

Want ook de publieke armenkas zat krap. De bereidheid om ook die kas te spekken was verminderd doordat kerkleden al moesten zorgen voor hun eigen arme leden.
Daarbij kwam nog dat zowel stedelijke als kerkelijke bestuurders voornamelijk aandacht besteedden aan het behoud van de eigen stand, aan bescherming van mensen uit eigen kring tegen verval in armoede. Het stadsbestuur had ‘correspondentiebeurzen’ voor verarmde leden van het stadsbestuur en voor pensioenen voor officieren van de schutterij, en gaf vrijkomende stadsambten als bierdrager en klokkenluider weg aan kennissen.

Ook de beurzen van de gilden waren bestemd voor vervalsbescherming van uitsluitend gildeleden. Er ontstonden statusverschillen tussen armen: kinderen in de burgerweeshuizen kregen bijvoorbeeld een betere behandeling dan die in de stadsweeshuizen, daar was slechter voedsel en een strengere discipline. In Leeuwarden werden alle weeshuiskinderen aan het werk gezet in spinhuizen, maar de stadsweeshuiskinderen moesten vloeren schrobben, waardoor ze niets leerden; de burgerweeshuiskinderen kregen het fijne werk. (6)

Werk- en tuchthuizen

In de tweede helft van de achttiende eeuw verplichtten stadsbesturen en diaconieën de armen tot onderwijs en een gedisciplineerd leven. Het idee was dat scholing en werkverschaffing de armoede zou wegnemen. Er kwamen armenscholen en werk- en tuchthuizen. In de werkhuizen werden de ‘valide’, arbeidsgeschikte, armen tewerkgesteld. Mooi neveneffect moest zijn dat door de lage lonen de neergaande economie weer op gang kon worden geholpen (7). Helaas pakte dat anders uit. Door de werkdwang (werken op straffe van een stop op bedeling) leverden mensen slecht werk af en door het eenzijdige werk leerden ze geen beroep waarmee ze zelf de kost konden gaan verdienen (8).

Een veroordeling tot een tuchthuis (rasp- of spinhuis) verving de eerdere lijfstraffen en de galg, en lieden van ‘quaad gedrag’ werden daar, op verzoek van echtgenoot, familie, buren of de baljuw, een tijd opgesloten. Kwaad, misdadig gedrag kon van alles zijn: bedelarij, dronkenschap, landloperij, tuindiefstal, bedreiging met geweld, en overspel (9).

In de achttiende eeuw heerste een sterke pre-occupatie met orde en discipline. Er was verdraagzaamheid ten aanzien van onorthodoxe ideeen, maar niet ten aanzien van opvallend of afwijkend gedrag. Vanuit de kerk, door burgerwachten en door buren werd sociale controle uitgeoefend op onzedelijkheid, baldadigheid en dronkenschap. Zo ontstond een schaamtecultuur, waarin het ophouden van de schone schijn, de goede naam en de persoonlijke eer bepalend was. (10).

Vrouwen die overspel pleegden of hoererij bedreven waren een schande, een aantasting van de eer van hun familie en echtgenoot. Een vrouw werd gezien als hoer als ze seks bedreef buiten het huwelijk, of dat nu betaald was of onbetaald. Zo kon een weduwe die nog een kind had gekregen veroordeeld worden tot een verblijf in het spinhuis.
Uit onderzoek blijkt dat veroordeelden wegens overspel tussen 1650 en 1750 voornamelijk vrouwen rond de twintig jaar oud waren, die los van hun familie leefden en als naaister onvoldoende inkomsten hadden. In het spinhuis kon de hele stad ze komen bekijken en bespotten, want dat stond open voor nieuwsgierig publiek. (11)

Afbeeldingen

- Gabriel Metsu (1655-1659): Triomf van de Gerechtigheid die de weduwen en wezen beschermt:
https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Gabri%C3%ABl_Metsu_008.jpg
- Jens Juel (toegeschreven aan) (1775-1799): Belle van Zuylen
https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Belle_van_Zuylen,_attributed_to_Jens_Juel.jpg?uselang=nl
- P.M.W. Trap: Vrouwentuchthuis achttiende eeuw (steendruk):
https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Tuchthuis18eEeuw.jpg


Noten


(1) Gelder, H.E. van, ‘Feministische Bataven’. In: De Amsterdammer, 3,10 en 24 november 1907. Opgenomen in Fritschy, Wantje (1980), Fragmenten Vrouwengeschiedenis deel 1, p 68-83
(2) Barneveld, Timo van, De Republiek: prostitutie en vrouwelijke criminaliteit:http://www.gendergeschiedenis.nl/index.php/gendergeschiedenis/dossiers/220-republiek-prostitutie-en-vrouwelijke-criminaliteit. En: Huisman, W. en Joubert, C.M. (1996), Gedogen: Een verschijnsel van alle tijden en alle plaatsen? Vrije Universiteit Amsterdam
(3) Dekker, Rudolph en Pol, Lotte van de (1989): Vrouwen in mannenkleren, Wereldbibliotheek Amsterdam
(4) Leeuwen, Marco van, ‘Amsterdam en de armenzorg tijdens de Republiek’, in: NEHA-jaarboek 95, p 132-161, Vakgroep Sociale en Economische Geschiedenis Universiteit Utrecht
(5) Salman, Jeroen (2009), ‘Over omlopers, liedjeszangers en marskramers’. In: Bijzonder onderzoek, universiteitsbibliotheek Utrecht: https://dspace.library.uu.nl/handle/1874/298678
(6) Joke Spaans (1997), Armenzorg in Friesland 1500-1800, uitgeverij Verloren, Hilversum
(7) Schmidt, Freek, ‘Armoede en verlichting. Het nieuwe werkhuis in Amsterdam en Abraham van der Hart’. In: De Achttiende Eeuw, Jaargang 2003, p. 89-122: http://www.dbnl.org/tekst/_doc003200301_01/_doc003200301_01_0012.php
(8) Huussen, A.H., recensie van Eerenbeemt, v.d. (1977), 'Armoede en arbeidsdwang. Werkinrichtingen voor ‘onnutte’ Nederlanders in de Republiek 1760-1795'. In: Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden, 1978, deel 93, p 515-518: http://www.dbnl.org/tekst/_bij005197801_01/_bij005197801_01_0021.php
(9) Bontenbal, Adriana, Het Goudse tuchthuis, een analyse van een Goudse instelling 1611-1811
(10) Huisman, W. en Joubert, C.M. (1996), Gedogen: Een verschijnsel van alle tijden en alle plaatsen? Vrije Universiteit Amsterdam. En: Kools, Frank, ‘Paardemest achter de deur bracht een hoer rijke klanten’. Recensie in Trouw, 14 februari 1997, van: Pol, Lotte van, 'Het Amsterdams Hoerdom. Prostitutie in de zeventiende en achttiende eeuw', Wereldbibliotheek, Amsterdam
(11) Kools, Frank, ‘Paardemest achter de deur bracht een hoer rijke klanten’. Recensie in Trouw, 14 februari 1997, van: Pol, Lotte van, ‘Het Amsterdams Hoerdom. Prostitutie in de zeventiende en achttiende eeuw’, Wereldbibliotheek, Amsterdam


Opmerking 15 mei 2018: deze pagina wordt even gereconstrueerd. Pdf's van de eerdere stukken uit de serie Verleden in Beeld worden hier z.s.m. weer geplaatst.

Meer Uitgelichtjes lezen? Hieronder die vanaf mei 2016 t/m 2011:

Uitgelicht januari- mei 2016
Uitgelicht 2015
Uitgelicht 2014
Uitgelicht 2013
Uitgelicht 2012
Uitgelicht 2011



 
 
normaal groter grootst